Nu ik u nader zonder tussenstof – want ieder woord heeft in het lied zijn eigen plotseling verschiet, dat als een nieuwe dood verrast – (o dichterbij gelokt gebied met zuiging dezer kant) is ieder vers een vacuum opdat er ademhaling ontsta over den rand.
Genade beweegt niet. Het is het licht dat smelt, de bron waar woorden en wereld zich vullen met betekenis. Schril en doods zien we de dingen als we zien enkel de dingen zelf en niet de werking die hen doorwasemt. Wat begrepen moet worden, niet het collectieve, niet het substantiële, is de diepte van een omhelzing. Weiger de grote verleiding. Wat binnen rust drijft vrijelijk rond buiten. Alle denkbare woorden maken waarheid niet draaglijk. Inzicht is niet bang zijn je te ontdoen van de ladder die we koesterden.
Waarom breek je jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?
Omdat ze niet goed zijn. Omdat ik ze niet mooi vind. Omdat ik niet tevreden ben erover. Ze zijn niet zoals ik ze wil hebben. Ze zijn helemaal scheef. Ik schaam me ervoor. Ik schaam me voor mezelf.
Dit zijn goede antwoorden maar zij zijn niet het antwoord. Waarom breek je jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?
Omdat ik ze gemaakt heb. Omdat ze teveel laten zien. En ik wil er niet naar kijken en ik wil niet dat een ander ernaar kijkt omdat ik ze herken omdat ze van mij zijn.
Dit zijn goede antwoorden maar zij zijn niet het antwoord. Waarom breek je jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?
Omdat de klei, eenmaal gebroken, opgenomen in water, geperst op de plank en in zijn oorspronkelijke staat hersteld, opnieuw gebruikt kan worden.
Dit is een goed antwoord. Maar het is nog steeds niet het antwoord. Waarom breek je jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?
Ik heb geen antwoord op jouw vraag.
Wanneer je die vraag kunt beantwoorden zul je niet langer gebroken zijn.
Alles wat wij kennen ligt voorbij het rationeel benoembare. Kennen wij iets? Nee natuurlijk niet. Wat wij kennen is niet waar en wat waar is overstijgt ons kennen; kennis is niet waar het om gaat. Maar we zijn ons bewust van iets en, op die manier, kennen wij. Een manier van kennen is kennen via het vlees. Voelend. We kennen dat gevoel. Wij hanteren vleselijke kennis. Zelfs de geest bezit vleselijke kennis. Dit staat vast.
Minder vast staat hoe te spreken daarover voelend dat wat wij vleselijk kennen niet is wat wij kennen. Er is een hele wereld van innerlijke kennis die, behoedzaam, tot beleving komt maar desondanks overstijgt ons benoemen alsof deze onbekend zou zijn; maar wij zijn ermee bekend, we zijn er thuis en gaan zo vaak we kunnen erheen, openen de deur, verkennen de kamers, gaan zitten en kijken rond, willen erover vertellen, onze vrienden meenemen ernaartoe.
De dunne lijn tussen een spontane stroom (“ephemeral”) en betekenisvolle beleving (“memorable”).
Norman Fischer is zen-leraar en dichter. In dit interview uit 2007 van Clocktower radio – voorheen: Artonair – wordt hij bevraagd op zijn visie en werkwijze.
Ida Gerhardt in brons door Herma Schellingerhout (bron: Kijkopzutphen)
FORLORN
Ik kan niet vinden waar gij zijt. Langs uw gelaat gaat noodweer aan; de bittere branding zie ik slaan, met zilt dat in de ogen bijt. Ik kan niet vinden waar gij zijt, noch waar ik zelf ben in mijn pijn. O onmacht van dit samenzijn, verholen riffen, blind ravijn en dieplood van het zelfverwijt – Ik kan niet vinden waar gij zijt.
Bron: Ida Gerhardt: Verzamelde gedichten I. Amsterdam 1999, p. 292
ONVOORWAARDELIJK
Als ge oud en schamel zijt, het tergend lot u slaat, als ieder u verlaat en gij uw pijn verbijt; en van uw eenzaamheid laat nacht en dag niet af de wind, die wreed en straf recht op de ramen staat, Waak! het is wakenstijd. Waak en besta de strijd: de machtige wanner scheidt de korrel van het kaf.
Bron: Ida Gerhardt: Verzamelde gedichten II. Amsterdam 1999, p. 536
Het gedicht van de geest die bezig is te onderzoeken Wat zal volstaan. Niet altijd heeft het iets moeten Vinden: de locatie stond vast; er werd herhaald Wat het scenario zei. Vervolgens transformeerde het theater In iets anders. Zijn verleden was een souvenir.
Levend moet het zijn, wil het de taal van de plek leren, De mannen van het moment moet het tegemoet treden en De vrouwen van het moment ontmoeten. Het moet nadenken over oorlog En onderzoeken wat zal volstaan. Het moet Een nieuw podium bouwen. Op dat podium moet het staan En als een gulzige acteur, in alle rust en Bewustheid, woorden spreken die in het oor, In het uiterst gevoelig oor van de geest, herhalen, Zorgvuldig, dat wat het wil horen, een geluid Waarnaar niet waarneembare toehoorders luisteren, Niet naar het verhaal, maar naar zichzelf, uitgedrukt In een beleving als van twee mensen, als van twee Belevingen die één worden. De acteur is Een wijze filosoof in het verborgene, bespelend Een instrument, bespelend een veerkrachtige snaar die passerende geluiden Plotse kloppendheden schenkt, volledig omvattend De geest, waaronder het niet kan afdalen, Waarboven het zich geen uitstijgen wenst. Het moet zijn Een ontdekken van volheid, en kan zijn Een man die rolschaatst, een vrouw die danst, een vrouw Zich kammend. Het gedicht van de bezigheid die geest heet.
Bron: Stevens, Wallace: Collected poetry and prose. New York 1997, p. 218 Schilderij: A new beginning (Bob Lawson)