Vacuum (Gerrit Achterberg)

Gerrit Achterberg

Nu ik u nader zonder tussenstof
– want ieder woord heeft in het lied
zijn eigen plotseling verschiet,
dat als een nieuwe dood verrast –
(o dichterbij gelokt gebied
met zuiging dezer kant)
is ieder vers een vacuum
opdat er ademhaling
ontsta over den rand.

Tekst: Achterberg, Gerrit: Verzamelde gedichten.
Amsterdam 1967, p. 399
Foto: Gerritachterberggenootschap

◄║►

Je ontdoen (Jan Zwicky)

Genade beweegt niet. Het is het licht dat smelt,
de bron waar woorden en wereld
zich vullen met betekenis. Schril en doods
zien we de dingen als we zien enkel de dingen
zelf en niet de werking die hen doorwasemt.
Wat begrepen moet worden, niet het collectieve, niet
het substantiële, is de diepte van een omhelzing.
Weiger de grote verleiding. Wat binnen rust
drijft vrijelijk rond buiten. Alle denkbare woorden
maken waarheid niet draaglijk. Inzicht
is niet bang zijn je te ontdoen van de ladder
die we koesterden.

Gedicht van Jan Zwicky.
Bron: Vertalingen / Divers
Cartoon: Bhmpics

◄║►

De pottenbakkersles (Dorothy Nimmo)

Gebroken pot

Waarom breek je jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?

Omdat ze niet goed zijn.
Omdat ik ze niet mooi vind.
Omdat ik niet tevreden ben erover.
Ze zijn niet zoals ik ze wil hebben.
Ze zijn helemaal scheef.
Ik schaam me ervoor.
Ik schaam me voor mezelf.

Dit zijn goede antwoorden
maar zij zijn niet het antwoord. Waarom breek je
jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?

Omdat ik ze gemaakt heb.
Omdat ze teveel laten zien.
En ik wil er niet naar kijken en
ik wil niet dat een ander ernaar kijkt
omdat ik ze herken
omdat ze van mij zijn.

Dit zijn goede antwoorden
maar zij zijn niet het antwoord. Waarom breek je
jouw potten zodra je ze gemaakt hebt?

Omdat de klei, eenmaal gebroken,
opgenomen in water, geperst op de plank
en in zijn oorspronkelijke staat hersteld,
opnieuw gebruikt kan worden.

Dit is een goed antwoord. Maar het is nog steeds niet
het antwoord. Waarom breek je jouw potten
zodra je ze gemaakt hebt?

Ik heb geen antwoord op jouw vraag.

Wanneer je die vraag kunt beantwoorden
zul je niet langer gebroken zijn.

Gedicht van Dorothy Nimmo.
Bron: Vertalingen / Divers
Foto: Depositphotos

◄║►

Rationeel benoembaar (Bronk)

De dichter William Bronk bij zijn woning
William Bronk, voor zijn woning.

Alles wat wij kennen ligt voorbij
het rationeel benoembare. Kennen wij
iets? Nee natuurlijk niet.
Wat wij kennen is niet waar en wat waar is
overstijgt ons kennen; kennis is niet waar het om gaat.
Maar we zijn ons bewust van iets en, op die manier,
kennen wij. Een manier van kennen is kennen
via het vlees. Voelend. We kennen dat gevoel.
Wij hanteren vleselijke kennis. Zelfs de geest
bezit vleselijke kennis. Dit staat vast.

Minder vast staat hoe te spreken daarover
voelend dat wat wij vleselijk kennen
niet is wat wij kennen. Er is een hele wereld
van innerlijke kennis die, behoedzaam,
tot beleving komt maar desondanks overstijgt
ons benoemen alsof deze onbekend zou zijn;
maar wij zijn ermee bekend, we zijn er thuis
en gaan zo vaak we kunnen erheen, openen de deur,
verkennen de kamers, gaan zitten en kijken rond,
willen erover vertellen, onze vrienden meenemen ernaartoe.

Bron: Vertalingen/William Bronk reeks
Bron foto: New Directions

◄║►

Ida Gerhardt: twee gedichten

Ida Gerhardt in brons door Herma Schellingerhout (bron: Kijkopzutphen)

FORLORN

Ik kan niet vinden waar gij zijt.
Langs uw gelaat gaat noodweer aan;
de bittere branding zie ik slaan,
met zilt dat in de ogen bijt.
Ik kan niet vinden waar gij zijt,
noch waar ik zelf ben in mijn pijn.
O onmacht van dit samenzijn,
verholen riffen, blind ravijn
en dieplood van het zelfverwijt –
Ik kan niet vinden waar gij zijt.

Bron: Ida Gerhardt: Verzamelde gedichten I.
Amsterdam 1999, p. 292

ONVOORWAARDELIJK

Als ge oud en schamel zijt,
het tergend lot u slaat,
als ieder u verlaat
en gij uw pijn verbijt;
en van uw eenzaamheid
laat nacht en dag niet af
de wind, die wreed en straf
recht op de ramen staat,
Waak! het is wakenstijd.
Waak en besta de strijd:
de machtige wanner scheidt
de korrel van het kaf.

Bron: Ida Gerhardt: Verzamelde gedichten II.
Amsterdam 1999, p. 536

◄║►

Moderne poezie (Wallace Stevens)

A-new-beginning-Bob-Lawson

Het gedicht van de geest die bezig is te onderzoeken
Wat zal volstaan. Niet altijd heeft het iets moeten
Vinden: de locatie stond vast; er werd herhaald
Wat het scenario zei.
­­                                   Vervolgens transformeerde het theater
In iets anders. Zijn verleden was een souvenir.

Levend moet het zijn, wil het de taal van de plek leren,
De mannen van het moment moet het tegemoet treden en
De vrouwen van het moment ontmoeten. Het moet nadenken over oorlog
En onderzoeken wat zal volstaan. Het moet
Een nieuw podium bouwen. Op dat podium moet het staan
En als een gulzige acteur, in alle rust en
Bewustheid, woorden spreken die in het oor,
In het uiterst gevoelig oor van de geest, herhalen,
Zorgvuldig, dat wat het wil horen, een geluid
Waarnaar niet waarneembare toehoorders luisteren,
Niet naar het verhaal, maar naar zichzelf, uitgedrukt
In een beleving als van twee mensen, als van twee
Belevingen die één worden. De acteur is
Een wijze filosoof in het verborgene, bespelend
Een instrument, bespelend een veerkrachtige snaar die passerende geluiden
Plotse kloppendheden schenkt, volledig omvattend
De geest, waaronder het niet kan afdalen,
Waarboven het zich geen uitstijgen wenst.
­­                                                              Het moet zijn
Een ontdekken van volheid, en kan zijn
Een man die rolschaatst, een vrouw die danst, een vrouw
Zich kammend. Het gedicht van de bezigheid die geest heet.

Bron: Stevens, Wallace: Collected poetry and prose.
New York 1997, p. 218
Schilderij: A new beginning (Bob Lawson)

◄║►