Uw gezicht pijnlijk ongrijpbaar wist ik beneveld niet te raken; dwaas hoorde ik “Heer” omdat mijn mond niet zweeg
een vogel soeverein gevleugeld verliet Gods naam mijn hart; voor mijn ogen wervelt de nevel, achter me een kooi, leeg.
Bron: Mandelstam, Ossip: Gedichte – Paul Celan (Übersetzer). Frankfurt 2017 (oorspr. 1959), p. 21 Mandelstam, Osip: Complete Poetry of Osip Emilevich Mandelstam; translated by B. Raffel and Alla Burago. Albany 1973, p. 46 Illustratie: Albrecht Dürer
Een leven lang te lui om te slagen koers ik in alles op hemelse waarheid. Drie pakken rijst telt mijn huidige voorraad plus een bundeltje hout bij het haardvuur.
Geen drukte over wie verlicht is en wie niet, wat zegt me de walm van roem en bezit? Nachtelijke regen bedekt deze rieten hut, mijn twee benen strek ik zoals het me uitkomt.
Ryokan (Japan, 1758-1831)
Bron: Foster, Nelson & Shoemaker, Jack: The roaring stream; a new Zen reader. Hopewell 1996, p. 350
Jij zit hier dagenlang en zegt: “Dit is een vreemde kwestie.” Jijzélf bent de vreemde kwestie. Je draagt de energie van de zon in je, maar je blijft hem oppotten op je bekkenbodem.
Je bent een raar soort goud dat in de oven gesmolten wil blijven om maar geen munt te hoeven zijn.
Zeg EEN in je eenzame woning. Al het overige liefhebben is je nestelen in een leugen.
Je bent van zoveel wijnsoorten zat geweest. Proef dit. Het zal je niet doen steigeren. Het is vuur. Geef maar op, als je nu nog niet begrijpt dat jouw leven brandhout is.
Deze woorden gaan zwellen. Beter dan een gesprek is innerlijke groei.
Hij wordt steeds ouder. De kleding versleten. Hij leest veel, af en toe gaat hij op in boeken zoals indianen in de ondoordringbare jungle. Hij valt in herhaling, alles herhaalt zich, het gele notitieboekje in de zak, de machtige stem van muziek. ’s Avonds gaat hij in zijn verkreukeld hemd voor het raam staan, gaapt. Op elke foto ziet hij er iets anders uit – het gezicht van zijn vader breekt door in het zijne, licht melancholisch; de korte witte baard betekent volgens zijn tegenstanders niets minder dan capitulatie. Hoopvol kijken de ogen in de sluiter. Hij wordt ouder.
Hij houdt van water, slaperige stromen door de vlakte en de groene oceaan; wanneer hij zwemt, zinkt zijn lichaam in de donkere vloed, als wilde hij een andere bestaansvorm testen. De wind beneemt hem de adem, de nacht geeft absolute rust terug (het enig absolute dat we bezitten, zegt spottend een bekende, met wie hij tientallen jaren al verbeten strijd voert). Hij is burger, denkt aan zijn gewonde land, aan de tuin der kinderjaren, die er nooit was.
Hij reist veel – april in Belgrado, pokken van de laatste oorlog, de gezwollen Donau herinnert zich de zorgeloze jeugd in Duitsland, in mei Jerusalem, ook hier sporen van oorlog, en desondanks hangt er heiligheid over de legendarische stad als de geur van magnolia’s, de vragen van de journaliste klinken wonderlijk vertrouwd. De vervreemding neemt toe. Altijd hetzelfde: een vast ontbijt, na het middageten een lange wandeling. Geleidelijk verwordt hij tot een roerloos object. Dromen brengen hem naar het onderaardse, de ochtend weet hem vaardig te bevrijden.
Maar dit toch ben ik, nog steeds ik, de eeuwig zoekende en gedaanteloze, altijd nog ik, elke ochtend slaat een nieuw hoofdstuk open en weet geen eind daaraan te maken, dat ben ik op straat, bij het station, ik, die het kind hoor huilen, die het geschater van de studenten hoor, het fluiten van de spreeuw, ik – onwetendheid, ik – onzekerheid, ik – verlangen, verwachting en wilde vreugde, ik, die er niets van begrijp, die reageer op provocaties, die twijfel, weer van voren af aan probeer te beginnen, die me verstop in het gesprek, in de wanhoop, van de geleerde discussie,
in de stilte van de winterdag, ik – verveeld, berustend, ongelukkig, arrogant, ik – in dromen verzonken als een twaalfjarige, doodmoe als een grijsaard, ik – in het museum, aan zee, op de markt in Krakau, hunkerend naar het moment, dat maar niet beginnen wil, dat zich schuilhoudt als bergen op een bewolkte namiddag, uiteindelijk komt helderheid, en ik weet plotseling alles, weet – dat ben ik niet.
Adam Zagajewski: Unsichtbare Hand; Gedichte. München 2012, p. 129 Vertalingen / Divers