Keerpunt (Baochi Jizang)

The Texas Panhandle, Part 1: Wide Open Spaces

KEERPUNT

De vele veranderingen in het verleden,
ons zuchten tijdens het afscheid;
tien jaar lang wist geen enkel bericht
onze werelden opnieuw te binden

gouden schalen op een altaar van sandelhout
– is alles goed met jou?
een stenen hut, een meditatiekussen
– precies het juiste voor mij

het warme licht van de lentezon
moet de sneeuw op mijn slapen nog smelten;
pas als het droomspel verbroken wordt
ontvouwt zich in mij zijn heldere zin

vaak was jij daarin aanwezig
en bemoedigde mij op mijn droomtocht,
maar wanneer ik nu achter me kijk:
is daar iemand, op die Weidse Vlakten?

Tekst: Baochi Jizang (17e eeuwse vrouwelijke zen-meester)
Bron: Grant, Beata: Eminent nuns; women Chan masters of seventeenth-century China. Honolulu 2008, p. 139
Foto: Corrales chronicles

◄║►

Een vergissing (Osip Mandelstam)

Uw gezicht pijnlijk ongrijpbaar
wist ik beneveld niet te raken;
dwaas hoorde ik “Heer”
omdat mijn mond niet zweeg

een vogel soeverein gevleugeld
verliet Gods naam mijn hart;
voor mijn ogen wervelt de nevel,
achter me een kooi, leeg.

Bron:
Mandelstam, Ossip: Gedichte – Paul Celan (Übersetzer). Frankfurt 2017 (oorspr. 1959), p. 21
Mandelstam, Osip: Complete Poetry of Osip Emilevich Mandelstam; translated by B. Raffel and Alla Burago. Albany 1973, p. 46
Illustratie: Albrecht Dürer

◄║►

Echo versteend (Popa)

Voice power

Er waren eens talrijke echo’s
Zij waren slaven van één stem
Bouwden bogen voor hem

De bogen vielen om
Zij hadden ze scheef gebouwd
De stof bedekte hen

Ze gaven dit riskante werk op
Veranderden hongerend in steen

In steen veranderd vlogen ze weg
Om korte metten te maken met de lippen
Waarvandaan de stem kwam

Ze vlogen wie weet hoe lang
Blinde dwazen ze merkten niet
Dat ze vlogen langs de rand van de lippen
Die zij zochten.

Bron: Vasko Popa: Homage to the lame wolf; selected poems 1956-1975.
Oberlin College 1975, p. 62-63

Afbeelding: St. Clement’s

◄║►

Glorie van vrijheid (Ryokan)

The Thatched Hut of Dreaming of an Immortal by Tang Yin

GLORIE VAN VRIJHEID

Een leven lang te lui om te slagen
koers ik in alles op hemelse waarheid.
Drie pakken rijst telt mijn huidige voorraad
plus een bundeltje hout bij het haardvuur.

Geen drukte over wie verlicht is en wie niet,
wat zegt me de walm van roem en bezit?
Nachtelijke regen bedekt deze rieten hut,
mijn twee benen strek ik zoals het me uitkomt.

Ryokan (Japan, 1758-1831)

Bron: Foster, Nelson & Shoemaker, Jack: The roaring stream;
a new Zen reader. Hopewell 1996, p. 350

Afbeelding: NMAA

◄║►

Goed seizoen (Wumen)

goed-seizoen

GOED SEIZOEN

Honderden bloemen in de lente
de maan in de herfst
een koele bries in de zomer
en sneeuw in de winter

als er geen loze wolken
drijven in je geest
is dit voor jou
een goed seizoen.

Zen-meester Wumen (1183-1260)
Bron: Zenkei Shibayama: The gateless barrier. Boston 2000, p. 140
Foto: Gedel

◄║►

Zeg ‘Een’ (gedicht van Rumi)

rumi - zeg een

Jij zit hier dagenlang
en zegt:
“Dit is een vreemde kwestie.”
Jijzélf bent de vreemde kwestie.
Je draagt de energie van de zon in je,
maar je blijft hem oppotten
op je bekkenbodem.

Je bent een raar soort goud
dat in de oven gesmolten wil blijven
om maar geen munt te hoeven zijn.

Zeg EEN in je eenzame woning.
Al het overige liefhebben is je nestelen
in een leugen.

Je bent van zoveel wijnsoorten zat geweest.
Proef dit.
Het zal je niet doen steigeren.
Het is vuur.
Geef maar op,
als je nu nog niet begrijpt dat
jouw leven brandhout is.

Deze woorden gaan zwellen.
Beter dan een gesprek
is innerlijke groei.

Bron: prachtig vormgegeven uitgave van Green en Barks:
The illuminated Rumi


HIER meer vertalingen van Rumi’s poëzie

◄║►

Adam Zagajewski: Zelfportret

schilderij zij is vogels van rina van der weij
Adam Zagajewski (Foto: Michal Lepecki)

ZELFPORTRET

Hij wordt steeds ouder. De kleding versleten. Hij leest veel, af en toe gaat hij op
in boeken zoals indianen in de ondoordringbare jungle. Hij valt in herhaling,
alles herhaalt zich, het gele notitieboekje in de zak, de machtige stem van muziek.
’s Avonds gaat hij in zijn verkreukeld hemd voor het raam staan, gaapt.
Op elke foto ziet hij er iets anders uit – het gezicht van zijn vader breekt door in het zijne, licht melancholisch; de korte witte baard betekent volgens zijn tegenstanders niets minder dan capitulatie.
Hoopvol kijken de ogen in de sluiter. Hij wordt ouder.

Hij houdt van water, slaperige stromen door de vlakte en de groene oceaan; wanneer hij zwemt, zinkt zijn lichaam in de donkere vloed, als wilde hij een andere bestaansvorm testen.
De wind beneemt hem de adem, de nacht geeft absolute rust terug
(het enig absolute dat we bezitten, zegt spottend een bekende, met wie hij tientallen jaren al verbeten strijd voert).
Hij is burger, denkt aan zijn gewonde land,
aan de tuin der kinderjaren, die er nooit was.

Hij reist veel – april in Belgrado, pokken van de laatste oorlog,
de gezwollen Donau herinnert zich de zorgeloze jeugd in Duitsland,
in mei Jerusalem, ook hier sporen van oorlog, en desondanks hangt er heiligheid
over de legendarische stad als de geur van magnolia’s,
de vragen van de journaliste klinken wonderlijk vertrouwd.
De vervreemding neemt toe. Altijd hetzelfde: een vast ontbijt, na het middageten
een lange wandeling. Geleidelijk verwordt hij tot een roerloos object.
Dromen brengen hem naar het onderaardse, de ochtend weet hem vaardig te bevrijden.

Maar dit toch ben ik, nog steeds ik, de eeuwig zoekende en gedaanteloze, altijd nog ik, elke ochtend slaat
een nieuw hoofdstuk open en weet geen eind daaraan te maken, dat ben ik
op straat, bij het station, ik, die het kind hoor huilen, die het geschater van de studenten hoor,
het fluiten van de spreeuw, ik – onwetendheid, ik – onzekerheid, ik – verlangen,
verwachting en wilde vreugde, ik, die er niets van begrijp,
die reageer op provocaties, die twijfel, weer van voren af aan probeer te beginnen,
die me verstop in het gesprek, in de wanhoop, van de geleerde discussie,

in de stilte van de winterdag, ik – verveeld, berustend,
ongelukkig, arrogant, ik – in dromen verzonken
als een twaalfjarige, doodmoe als een grijsaard,
ik – in het museum, aan zee, op de markt in Krakau,
hunkerend naar het moment, dat maar niet beginnen wil, dat zich schuilhoudt
als bergen op een bewolkte namiddag, uiteindelijk komt
helderheid, en ik weet plotseling alles, weet – dat ben ik niet.


Adam Zagajewski: Unsichtbare Hand; Gedichte.

München 2012, p. 129
Vertalingen / Divers

◄║►