Leg deze woorden vóór Jouw geest neer als rotsen. stevig geplaatst, door handen Die plekken kiezen, genesteld Voor het lichaam van de geest in tijd en ruimte: Stevigte van schors, blad, of wand stortsteen van dingen: Gruizel van melkweg, dolende planeten, Deze gedichten, mensen, verdwaalde paarden met Wapperende zadels – en rotsachtige, tredgetrouwe paden. De werelden als een eindeloos vierdimensionaal Go-spel. mieren en kiezels In de dunne klei, elke rots een woord een riviergezuiverde steen Graniet: getekend door folter van vuur en zwaarte Kristal en bezinksel gloedvol versmolten elk veranderen, in gedachten Net zo goed als in dingen.
Lay down these words Before your mind like rocks. placed solid, by hands In choice of place, set Before the body of the mind in space and time: Solidity of bark, leaf, or wall riprap of things: Cobble of milky way, straying planets, These poems, people, lost ponies with Dragging saddles— and rocky sure-foot trails. The worlds like an endless four-dimensional Game of Go. ants and pebbles In the thin loam, each rock a word a creek-washed stone Granite: ingrained with torment of fire and weight Crystal and sediment linked hot all change, in thoughts, As well as things.
Snyder, Gary: Riprap and Cold Mountain poems. Couterpoint 1965.
Hoe wend ik mijn ziel om jou niet te raken hoe til ik haar over jou heen naar de rest
waar vind ik de plek in vreemdste omgeving die niet wordt geroerd door jouw dieper bestaan
als de strijkstok twee snaren zingt versmelting één stem
op welk instrument tovert wie dit huidloze deinen?
Liebes-Lied
Wie soll ich meine Seele halten, dass sie nicht an deine rührt? Wie soll ich sie hinheben über dich zu andern Dingen? Ach gerne möcht ich sie bei irgendwas Verlorenem im Dunkel unterbringen an einer fremden stillen Stelle, die nicht weiterschwingt, wenn deine Tiefen schwingen. Doch alles, was uns anrührt, dich und mich, nimmt uns zusammen wie ein Bogenstrich, der aus zwei Saiten eine Stimme zieht. Auf welches Instrument sind wir gespannt? Und welcher Geiger hat uns in der Hand? O süsses Lied.
Mitte aller Mitten, Kern der Kerne, Mandel, die sich einschließt und versüßt, – dieses Alles bis an alle Sterne ist dein Fruchtfleisch: Sei gegrüßt.
Sieh, du fühlst, wie nichts mehr an dir hängt; im Unendlichen ist deine Schale, und dort steht der starke Saft und drängt. Und von außen hilft ihm ein Gestrahle,
denn ganz oben werden deine Sonnen voll und glühend umgedreht. Doch in dir ist schon begonnen, was die Sonnen übersteht.
Rainer Maria Rilke, Sommer 1908 (vor dem 15.7.), Paris. Rainer Maria Rilke: Ausgewählte Gedichte. Frankfurt am Main, 1966, p. 60 & Die Gedichte. Frankfurt am Main, 1996, p. 539.
De vier elementen hebben in wezen geen meester, de vijf schimmen zijn fundamenteel leeg; het glimmend zwaard zal mijn hoofd klieven alsof het snijdt door een lichte lentebries.
Het doodsgedicht van de boeddhistische leraar Sengzhao (4e eeuw), leerling van de beroemde vertaler Kumarajiva. Hij werd veroordeeld tot de dood vanwege een conflict met de keizer die hem graag in dienst wilde nemen – niet als monnik, maar als adviseur en bestuurder. Sengzhao weigerde zijn gelofte te loochenen, en vroeg zeven dagen uitstel van zijn onthoofding. Zo kon hij een laatste verhandeling schrijven over de kostbaarheid van leegte – en bovenstaand gedicht over onze doodloze aard.
Toelichting: • de vier elementen: aarde, water, vuur en lucht – verwijzend naar uiterlijkheid; • de vijf schimmen: de skandha’s (vorm, gevoel, denken, wens en besef) – verwijzend naar innerlijkheid; • gelofte: de bodhisattva-gelofte – “Bodhisattva’s opereren op basis van een gelofte, stervelingen op basis van karma.” (Suzuki roshi).
Bronnen: • Torei, Enji: Discourse on the Inexhaustible Lamp of the Zen School. London 1996, p. 30; • Aitken, Robert: The gateless barrier; the Wu-mon Kuan (Mumonkan). New York 1995, p. 156.
Afbeelding: calligrafie van het Chinese ideogram Fo: Boeddha. (Bron: Wikipedia)
Fragment van overleg tijdens het verdiepingsweekend van 3-5 dec. 2021 te Cortils (B.) waar het thema lijden werd onderzocht via o.a. psalm 88 (Roep om hulp) in onderstaande versie van Norman Fischer.
Het licht verschuift aan het beschot. Ik worstel zwijgende met God.
(uit gedicht De Schrijver; Ida Gerhardt: Verzamelde gedichten I, p. 314)
ROEP OM HULP
Overdag roept mijn stem aan je einders
’s nachts kom ik naakt voor je staan
moge mijn gebed jou nu roeren
hoor hoe ik me tot je richt
mijn hart weegt zwaar van het lijden
één langgerekte dood is mijn bestaan
krachteloos als zij die aan het eind zijn
dool ik tussen de gestorvenen
als een lijk, vermoord, miskend, vergeten
in zijn bloei gekeeld door jouw hand
jij liet me zinken naar de bodem
in duistere sfeer, ten diepste bedrukkend
je ranselt me hier met je furie
beukt me met jouw vloed
al mijn vrienden joeg je heen
je deed hen stuiven als was ik vergif
nu ben ik gevangen, geknoopt, verkrampt
bijtend zuur kwelt mijn ogen
geen dag dat ik niet om je roep
uur na uur hef ik mijn handen naar jou
zul je wonderen voor de doden verrichten
zullen de overledenen opstaan en je danken
zullen zij hun mond openen, je goedheid beamen
kan men in dit duister jouw wonderen zien
kan men jouw liefde onthouden hier
in dit oord van eindeloos vergeten
nog luider roep ik daarom, doordringender
wijd ik mijn hart aan het ochtendgebed
waarom verwerp je mijn ziel
waarom verberg je je aangezicht
een leven lang al verteert me de tijd
voortdurend vrat kwelling aan mij
ik verdroeg je machtige gruwelen
maar radeloos maakt het mijn geest
het vuur van je woede raast over mijn lichaam
aldoor beproeven mij jouw verschrikkingen
dagelijks zwermen ze in en rondom me
omspoelen mij, zuigen me neerwaarts
zodat ik naar adem snak
alle gezelschap heb jij me ontnomen
het licht in de blik van geliefden en vrienden
is blijvend gedoofd.
Het vuur, waarin gij nu verkeert, verwarmt mijn voeten, ik bezin mij op het feit hoe onverteerd gij nu geworden zijt tot in uwe verkolingen, hoe on- ophoudelijk deze reis begon door de stofwisseling — en zal kleiner dan een bekend getal uw wezen zijn of groter dan de som van alle, uw bestaan is onuitwisbaar in de brand der wereld die de and’re kant van ademhalen is, de mens verlaat zichzelf tot aan zijn grens en wordt zijn eigen energie, zonder te weten wat of wie hij voedsel werd en levensbron, maar in dit zingen slaat gij om en gij vergeestelijkt tot vorm, die triomfeert over de worm.
Bron: Achterberg, Gerrit: Verzamelde gedichten. Amsterdam 1967, p. 463 Foto: Wikipedia